olivier-van-beemen-inparijs.nl

In Parijs is het debuut van Olivier van Beemen. Het boek verscheen 1 oktober 2009 bij uitgeverij Balans en is te koop op deze website en in de boekhandel. Het gaat over het  hedendaagse Frankrijk en de veranderingen die daar het afgelopen decennium hebben plaatsgevonden, gezien vanuit het perspectief van de auteur. Het is één verhaal, maar de thematische hoofdstukken kunnen ook apart gelezen worden.

In Parijs is de wervelende coming of age van een correspondent in Parijs. Met groot gevoel voor stijl beschrijft Van Beemen het leven van een jonge Nederlander in het Frankrijk van het début de siècle. Hij reist in het kielzog van Nicolas Sarkozy en ondergaat de grillen van zijn immer gebruinde huurbazin Madame Aïach. Hij bezoekt de nationalist Jean-Marie Le Pen in zijn ouderlijk huis in Bretagne en wordt op hardhandige wijze geconfronteerd met het geweld in de banlieue. En van zijn kapper David leert hij dat zijn haar niet rood, maar Venetiaans blond is.

Zo begint In Parijs:

Eén trein is groen. iedere ochtend passeert de ene na de andere gele sneltrein mij op mijn fietstocht van huis in Vogelenzang naar school in Haarlem. Ik sla er geen acht op. De groengrijze nachttrein uit Parijs is anders. Die zet aan tot dromen tijdens een saaie rit van bijna tien kilometer langs de Leidsevaart, de oude trekvaart tussen Haarlem en Leiden. Meestal fiets ik alleen, omdat ik de enige Vogelenzangse gymnasiast ben. De wind komt bijna altijd uit het zuidwesten. Op de heenweg heb ik hem in de rug.
De nachttrein uit Parijs brengt structuur. Komen de wagons van de Société Nationale des Chemins de fer Français langs als ik nog langs het bollenveld voor het ouderlijk huis fiets, dan weet ik dat ik vaart moet maken. Ben ik al bijna bij station Heemstede-Aerdenhout, dan kan ik het verder rustig aan doen. tenzij de nachttrein vertraging heeft: soms is er helemaal geen nachttrein, terwijl ik keurig op tijd de Jacobijnestraat in Haarlem binnenrijd, waar de school is gevestigd.
De nachttrein uit Parijs biedt ook afleiding. Amsterdam, dertig kilometer verderop, is een grote, verre stad en de gedachte dat er rails liggen tot aan Parijs, fascineert me. De passagiers, verscholen achter hun gordijntjes, zijn een avond eerder op het Gare du Nord opgestapt en rijden nu langs de Leidsevaart, net als ik.
Ik ben nog nooit in Parijs geweest.
Dat verandert in de zomer van mijn achttiende verjaardag. Met een groepje vrienden ga ik naar de Franse hoofdstad, met de nachttrein. Die gaat dan nog via Haarlem, terwijl de meeste internationale treinen langs Schiphol rijden. Voor ons is Parijs een tussenstop van enkele dagen, waarna we doorreizen naar Noord-Italië.
Iets na half elf stappen we op in station Haarlem. ‘Paris Nord’ vermeldt het vertrekbord. De Franse conducteur, een dikke man met strenge pet die meer ontzag inboezemt dan zijn Nederlandse collega’s, komt direct de coupé binnen en neemt onze railpas én paspoort in. Daar hebben we niet op gerekend. Is deze man wel te vertrouwen, zullen we onze documenten ooit terugzien? Veel keus hebben we niet. Beter zoeken we onze toevlucht tot de meegenomen biertjes. Ik heb per ongeluk maltbier gekocht. Vogelenzang en de Leidsevaart liggen achter ons voordat ik goed en wel naar buiten kan kijken.
Ook van maltbier moet je vroeg of laat naar de wc. Ik volg de pijltjes richting het uiteinde van de wagon. Geen wc. Wel is er een groot uitgevallen ruimte met een wastafel. Het kwartje valt wanneer ik een klein gaatje in de vloer zie. Meteen denk ik aan de Franse campings waar ik zoveel zomers met mijn ouders heb doorgebracht: dit is een Franse wc, een hurktoilet. Trots op zoveel culturele kennis, richt ik op het gaatje. De vloeistof blijft echter liggen en met de schommelingen van de trein moet ik oppassen dat mijn schoenen droog blijven. Ik kan weinig anders dan het bevuilde hok verlaten en zie om het hoekje een andere ruimte, met een pot, een bril en een pedaal om door te spoelen. Ik schaam me. Ik ken Frankrijk minder goed dan ik denk.