Archive for the ‘platteland’ Category

Schrijven

Wednesday, March 11th, 2009
Maandagavond, negen uur. Het is donker in het huisje. Twee kaarsen verlichten de grote houten tafel naast mijn MacBook, even verderop staan twee kleine lampjes. Jammer dat ik geen oude typemachine gebruik of met pen en papier schrijf, anders zou ik zo uit de negentiende eeuw gestapt kunnen zijn. Een glas rode wijn is de beloning die ik mezelf in het vooruitzicht stel als ik voldoende op papier heb staan.
Ik ben een paar uurtjes geleden aangekomen in het huisje waar ik de komende dagen een goed begin wil maken aan mijn boek, waarover zoals gezegd later meer. Met mijn rug zit ik naar het elektrische kacheltje, da’s minder negentiende-eeuws. Het is koud op het platteland. Mee zijn Flaubert (L’Education sentimentale) en mijn nieuwe held Jules Verne (Paris au XXe siècle). En een zwembroek: er is een mooi zwembad om de hoek, dichter bij dan de bakker, de slager en de alimentation. En zeker dan internet.
De fietstocht van het dichtstbijzijnde station, op vijftig kilometer, hierheen was bijzonder. Door bossen voerde het, over glooiende weiden en langs mooie meertjes en kastelen. Aan de omstandigheden kan het in ieder geval niet liggen. Aan mij om mooie hoofdstukken op papier te krijgen.

Foto: Creativity + Timothy K Hamilton

Kluizenaar

Tuesday, March 10th, 2009

Photobucket
Foto: Panaromas

Deze week leef ik als een kluizenaar. Ik trek mij terug in een huisje (niet hetzelfde als op de foto) op het Franse platteland, ver van de bewoonde wereld. Geen internet, geen tv en de mobiele telefoon heeft nauwelijks bereik. Ik ben bezig aan een boek (meer info daarover volgt) en hoop dat ik me goed kan concentreren. Ik sluit echter niet uit dat ik morgen alweer in de trein spring omdat ik niet tegen zoveel eenzaamheid blijk te kunnen. Hoe dan ook: blogstukjes staan – net als dit bericht – voorgeprogrammeerd en een stadje tien kilometer verderop schijnt een internetcafé te hebben, dus hopelijk kan ik u op de hoogte houden van mijn verblijf. Zondag is het in ieder geval gedaan met de kalmte.

Beren, ga terug naar Slovenië

Thursday, February 26th, 2009
Photobucket
Bruine beer (in dierentuin). Foto: L Cornic

U had nog van mij tegoed waarom ik afgelopen zomer een dagje in de Pyreneeën was. Dat was voor een reportage over de bruine beren, die de gemoederen steeds maar weer bezig blijven houden. Deze week staat het verhaal in Elsevier. Doorgaans zit er minder tijd tussen repo en publicatie, maar dit is ‘wegens omstandigheden’ aan mijn zijde een tijdje blijven liggen.

Uit het FD: dorpje herintroduceert de franc

Friday, July 25th, 2008

Dit verhaal had u nog tegoed, uit het FD van maandag:

Heerlijk, een francbiljet in mijn handen

De winkels van Collobrières in de Provence accepteren tot 2012 de Franse franc als betaalmiddel. De nostalgische marketingtruc levert aardig wat op. ‘Een man had 20.000 franc in een jaszak gevonden en 40.000 kwam uit een laatje.’

Een brede glimlach verschijnt op het gezicht van Olivier Faivre (39). ‘De franc maakt deel uit van ons erfgoed’, zegt de eigenaar van Hôtel Notre Dame in Collobrières. ‘De franc is authentiek en maakt me nostalgisch. Ik vond het heerlijk laatst weer een biljet in de handen gedrukt te krijgen.’
In het Povençaalse plaatsje in het heuvelachtige achterland van de badplaats Saint-Tropez lijkt de tijd stil te staan. Aan het dorpsplein drinken oude mannen in de schaduw van de platanen een glas pastis en langs het riviertje leggen actieve leeftijdsgenoten met alpinopet een spelletje jeu de boules. Op de hoofdweg van het dorpje met ruim 1500 zielen staat een Citroën Traction geparkeerd, een zeker vijftig jaar oude oldtimer.
Collobrières lijkt niet alleen in het verleden te leven, in zekere zin doet het dat daadwerkelijk. Sinds het afgelopen voorjaar accepteert de lokale middenstand behalve de euro een munteenheid die ruim zes jaar geleden haar status verloor als wettig betaalmiddel, de Franse franc.
‘Ik was bezig oude kleren van mijn dochter uit te zoeken, toen ik in een overhemd een vergeten biljet van 50 franc ontdekte’, zegt Nathalie Lepeltier (39), voorzitter van de lokale winkeliersvereniging.
‘Ik vond het veel gedoe om daarmee naar de Banque de France te gaan om het in te wisselen voor een paar euro en bedacht dat ik vast niet de enige was die er zo over dacht’, vertelt ze in haar bakkerij Le Pain de Jadis, ‘Het brood van weleer’.
Zo ontstond het idee tijdelijk francs te accepteren, aanvankelijk voor een maand, uiteindelijk tot 2012, wanneer de nationale bank van Frankrijk ophoudt francs te wisselen voor euro’s. Vrijwel alle winkels en horecagelegenheden in Collobrières doen mee. Lepeltier: ‘We hebben de Banque de France nog gebeld om toestemming te vragen. Ze antwoordden dat we gerust onze gang kunnen gaan.’
Het levert het bescheiden plaatsje behalve nieuwsgierige toeristen en de nodige publiciteit een aardig extraatje op, 120.000 francs, ruim € 18.000. ‘Ik ontvang de laatste tijd veel telefoontjes uit andere dorpen die hetzelfde willen doen. Erg leuk’, zegt Lepeltier.
Volgens een schatting van de nationale bank dit voorjaar hebben Fransen nog meer dan 40 mln francbiljetten in hun bezit, met een totale waarde bijna 5 mrd (€ 752 mln). Ze hebben verhoudingsgewijs ‘beter’ omgewisseld dan Nederlanders, die met vier keer minder zijn en volgens De Nederlandsche Bank eind vorig jaar in totaal nog 28 mln guldenbiljetten op zak hadden ofwel € 523 mln.
Veel Fransen houden moeite met de euro, die net als in Nederland de schuld krijgt van prijsverhogingen de afgelopen jaren. Nog steeds zijn veel producten in de supermarkt of in andere winkels dubbel geprijsd. ‘Het rekent voor ons ook zo lastig met 1 euro die 6,56 franc waard is’, zegt hoteleigenaar Faivre. ‘De Duitsers hebben het makkelijker met 2 mark voor 1 euro.’
Hij zegt dat er bovendien nog veel mensen zijn die in oude francs denken van voor 1960, toen de munt twee nullen verloor. Faivre: ‘Mijn moeder rekent eerst terug naar nieuwe francs en vervolgens naar oude. Dat is haar referentiekader.’
De ‘herinvoering’ van de franc is volgens de middenstanders geen afwijzing van de euro of van Europa. In het dorp waar bij het referendum van 2005 meer dan 60 % van de bevolking tegen het Europees grondwettelijk verdrag stemde, klinken opvallend positieve geluiden over Europa.
‘Het is bovenal een commerciële actie’, zegt Lepeltier. ‘Natuurlijk spelen we in op nostalgie, maar we voelen ons Europeanen en krijgen bijvoorbeeld steun uit Europa voor de lokale kastanjeteelt’.
Slager Gérard Meni, die 1500 francs (€ 230) overhield aan de actie, is nog resoluter. ‘Ik ben blij met de euro en zou de franc niet terugwillen’, zegt hij, terwijl hij een groot stuk rundvlees in kleinere delen hakt.
Eén recente bezoeker zullen ze in Collobrières niet snel vergeten. Lepeltier: ‘Die kwam 60.000 francs uitgeven. Hij had 20.000 francs in een jaszak gevonden en 40.000 kwam uit een laatje. Hij heeft het allemaal stukgeslagen bij de winkeliers. Wij zagen het glimlachend aan, maar ik denk dat de Banque de France kritischer vragen had gesteld.’

Illustratie: munten worden helaas niet geaccepteerd (van deze site)

Wie maakt echte camembert?

Saturday, April 26th, 2008
Ogenschijnlijke rust in Camembert. Foto: Olivier van Beemen

Deze week was ik zowaar eens oorlogsjournalist. Ik deed verslag van de camembertoorlog, die Normandië al maandenlang verscheurt.

Goed, dat is natuurlijk weer zo’n fijne, heerlijk overdreven mediaterm, maar feit is wel dat de traditionele kaasmakers boos zijn op de grote producenten Lactalis (van Président) en Isigny-Sainte-Mère.

Die hebben vorig jaar besloten voor het merendeel van de camemberts niet langer rauwe melk te gebruiken, maar gepasteuriseerde. Daardoor verliezen ze het keurmerk AOC, wat je product een goede naam geeft (en meer waarde). Ze mogen hun kaas nu niet langer camembert de Normandie noemen.
De grote jongens willen dat de AOC ook gaat gelden voor camembert met gepateuriseerde melk. Bovendien hebben ze volgens de voorstanders van de ‘echte camembert’ bewust geruchten verspreid dat rauwmelkse camembert een risico kan zijn voor de gezondheid.
Ik sprak onder meer met ‘camemberthistorics’ Gérard Roger, die het Comité de défense du véritable camembert heeft opgericht. Op zijn site kun je een petitie tekenen als je tegen de teloorgang van rauwmelkse camembert bent. Mediatraining had deze man niet nodig, want hij schudde de voltreffers uit zijn mouw: ‘Camembert is meer dan een kaas. Het is een monument van de Franse gastronomie. Niets is zo Frans als wijn, stokbrood en camembert.’
En: ‘Alles moet tegenwoordig een herkenbare standaardsmaak hebben. Maar dat is dom. Die kunnen de Chinezen straks namaken. In deze tijden moet je juist kiezen voor een eigen, ambachtelijk product, dat best iets meer mag kosten.’
Kaasmaker Laurent Flechard van Gillot vertelde dat rauwmelkse kaas beter is dan kaas van opgewarmde melk, omdat de pateurisatie ook de goede bacteriën doet verdwijnen. Luc Morelon daarentegen sprak van ‘schandalige leugens.’
Hij werkt dan ook voor Lactalis. Hoewel hij op het punt stond op vakantie te gaan, kon hij me nog net deze woorden meegeven: ‘Wij produceren 850.000 ton camembert, de totale productie met rauwmelkse kaas is een paar ton. Het is zo’n verhaal van de dappere kleine boertjes tegen de grote boze industrieel, waarbij de media het graag opnemen voor de boertjes. Maar wij geven ondertussen 15.000 Fransen een baan.’
Hij zei ook dat de meeste journalisten die over dit onderwerp schrijven niet de moeite nemen de kant van het verhaal van Lactalis te horen. Tja, daar had de industriële kaasmaker natuurlijk zeker een punt: als zijn bedrijf talrijke banen zou verliezen, is Normandië waarschijnlijk ook te klein. Vervelend, van die verhalen waar geen echte goeden en slechten zijn…

Boer in Frankrijk

Wednesday, April 9th, 2008
Grote drukte, maar voor trouwe lezers hier een column die ik twee jaar geleden schreef voor de rubriek Standplaats Frankrijk bij de GPD. Foto: Jipol

Boer in Frankrijk wilde ik vroeger worden. Net als zo’n twee miljoen andere Nederlanders gingen mijn ouders, broer en ik vrijwel ieder jaar met vakantie naar Frankrijk, meestal naar het zuiden. Een reis die grote indruk op me heeft gemaakt, voerde ons naar de Provence, dicht bij de Mont Ventoux.
We hadden er een huisje gehuurd midden in de lavendelvelden. Ik herinner me de stilte, af en toe doorbroken door een tractor, de uitgestrekte velden met paarse bloemen en bovenal de paradijselijke geur. Daar moet het idee ‘boer in Frankrijk’ zijn geboren, toen ik een jaar of acht was. Het vooruitzicht altijd te werken in de lavendelgeur leek me onweerstaanbaar. Zelfs een wesp verborgen tussen de planten, die me door mijn waterschoen buitengewoon pijnlijk in mijn grote teen stak, bracht daar geen verandering in.
Toch maakte de ambitie al binnen enkele jaren plaats voor nieuwe toekomstideeën en verloor ik bovendien de liefde voor Frankrijk. Een tijdje wilde ik snel rijk worden op de beurs, daarna zou ik de wereld gaan redden als ontwikkelingswerker in Afrika en toen ik ten slotte op de leeftijd kwam dat ik moest kiezen, werd het journalist.
In Frankrijk. Via een omweg was mijn interesse weer teruggekomen. Tijdens mijn wereldverbeteraarperiode was ik antropologie gaan studeren en Frans erbij. Dat zou goed van pas komen in West-Afrika, de streek die ik zou ontwikkelen. Op de universiteit besefte ik hoe moeilijk het is de wereld te verbeteren en vond ik Frans leuker, dus die studie heb ik uiteindelijk afgerond.
Eerder dan gehoopt ben ik nu journalist in Frankrijk. Niet op het platteland, maar in Parijs. Toch heb ik het genoegen regelmatig mijn bijna-collega’s op te zoeken. Iedere keer als ik de drukke boulevards van Parijs verruil voor de frisse lucht van het platteland, maakt een aangenaam gevoel zich van mij meester. Dat is het echte Frankrijk, zoals ik dat ken van de vroegere vakanties.
Ik bezocht schaapherders in de Pyreneeën, biologische boeren in Lotharingen en ganzenhoeders nabij Toulouse. En afgelopen zomer gebeurde het: voor een reportage ging ik naar een lavendelboer in de Provence. Ogenblikkelijk voerde de indringende geur mij terug naar het verleden, als in de roman van Marcel Proust, waarin de smaak van een madeleine-cakeje de verteller in zijn gedachten terugvoert naar zijn jeugdjaren.
De boer nam me mee naar de velden en naar de schuur waar hij de olie uit de bloemen perst. Er stond een oude huifkar om het idyllische beeld compleet te maken. Ik mijmerde weg. Het was nog niet te laat: ik zou nog steeds boer in Frankrijk kunnen worden.
Tot ik mij de reden voor mijn komst herinnerde: het ging niet zo goed met de Franse lavendelproducenten. Mede door nieuwe concurrentie uit Oost-Europa en China waren de prijzen op de wereldmarkt sterk gedaald. De boeren, die tot nu toe zonder subsidies rondkwamen, hebben wellicht binnenkort ook overheidsgeld nodig om te overleven.
Ik herinnerde me dat problemen ten grondslag lagen aan vrijwel al mijn bezoeken aan het boerenland. Nu heeft dat wellicht te maken met de eigenaardige gewoonte van journalisten dat zij iets pas interessant vinden zodra er problemen zijn, maar de feiten liggen er: de herders moeten rondkomen met minder dan het minimumloon, waarvan de helft uit Brussel komt (maar hoe lang nog?), de Franse wijn maakt moeilijke tijden door en de ganzenleverproductie is omstreden, om enkele voorbeelden te noemen.
Wijselijk besloot ik mijn oude ambitie geen nieuw leven in te blazen. Op de lokale markt kocht ik een paar zakjes lavendel, die ik eenmaal thuis op strategische plekken in mijn appartement neerlegde. Vanachter mijn laptop geniet ik van het beste van twee werelden.

Overbevolking everzwijnen

Thursday, April 3rd, 2008
Slager en opgezette everzwijnen op jagersbeurs in Rambouillet

Maandag was ik op de jagersbeurs in Rambouillet, het voormalig jachtdomein van de Franse koningen, vijftig kilometer van Parijs. Een hele belevenis, waarop ik binnenkort terug hoop te komen. Aanleiding is de everzwijnenplaag die Frankrijk teistert op dit moment. Lees het verhaal dat ik maakte in BN/De Stem. Lees hier een eerder bericht over de jacht.

Cévenol

Monday, August 13th, 2007
Cévenol over de brug bij Chamborigaud

In het TGV-tijdperk overleven nog enkele langeafstandstreinen met namen. De Etoile du Nord (Parijs-Amsterdam), Mistral (Parijs-Marseille) en Capitole (Parijs-Toulouse) bestaan niet meer, maar donderdagnacht zat ik wel in de Palombe Bleue (blauwe duif) tussen Tarbes en Parijs en maandag nam ik de Cévenol.
Die trein doet ruim tien uur over Parijs-Marseille, terwijl de TGV daar drie uur over doet. Bij de Cévenol zit in de prijs van het treinkaartje wel een ontdekkingsreis door Frankrijk inbegrepen, die door Bourgondië, Auvergne en de Languedoc voert. ‘s Ochtends door de glooiende landschapjes bij Nevers, rond het middaguur langs de bronnen van de voormalige collaboratiehoofdstad Vichy en de vulkanen bij Clermont-Ferrand en even later door de Cevennen, langs de engten van het riviertje de Allier.
Het plaatsje Génolhac was vorige week mijn bestemming, waar ik een reportage maakte over de openbare dienstverlening op het platteland, met als voorbeeld de Cévenol. Die is al een aatal malen bedreigd met opheffing en zal volgend jaar worden ingekort. Het verhaal staat vandaag in (een deel van) de regionale kranten.

Correspondent in Froncles

Thursday, March 29th, 2007
‘De gemeente door Hollandse ogen’, een reportage van Marcel Thillay in
Le Journal de la Haute-Marne. Klik een of twee keer voor een grotere versie.

Begin deze maand maakte ik naar aanleiding van de landbouwbeurs in Parijs (zie dit bericht, waar ook een link staat naar het verhaal) een reportage in het landelijke Froncles, in het departement Haute-Marne. Elise, een vriedin in Parijs, afkomstig uit Froncles, had me in contact gebracht met Marcel Thillay, een vrij legendarisch figuur die je papy (opa) dient te noemen.
Thillay is de lokale correspondent in Froncles voor de regionale krant
Journal de la Haute-Marne. Iedere morgen komt hij even langs bij de Marchals, de ouders van Elise, om onder het genot van een glaasje pruimenbrandewijn de laatste nieuwtjes door te nemen. De duidelijk zichtbare aderen in zijn gezicht verraadden dat er door de jaren heen de nodige alcohol door zijn bloed is gestroomd. Hij was ervan overtuigd dat ik zonder hem totaal verloren zou zijn in Froncles.
Hij had niet zo goed begrepen dat ik vooral geïnteresseerd was in sociaal-maatschappelijke kwesties als werkloosheid, het leven als boer, of twintiger zijn in Froncles. Hij dacht dat ik alles wilde observeren en niet zozeer met bewoners wilde praten. Ik had mijn verlanglijstje van gesprekspartners doorgegeven aan Elise: de burgemeester, een van haar vriendinnen die op jonge leeftijd een kind had gekregen, haar familie en de jonge boer die het boerenbedrijf van haar vader had overgenomen. Daar moest ik wel een eind mee komen.
Thillay stond erop me overal mee naar toe te slepen. In de stromende regen gingen we naar het gemeentehuis, waar die dag net nieuwe computers of software zou worden geïnstalleerd. Ik bleef in de auto zitten en hij zou het even regelen. Verontwaardigd kwam hij terug met de mededeling dat de burgemeester en zelfs de eerste wethouder geen tijd hadden voor het onaangekondigde bezoek. Ach, zonder burgemeester is zo’n reportage ook nog wel te maken.
Op naar de fabriek. Eigenlijk hoefde ik niet echt naar de fabriek, die mij eerder in de weg stond. Ik was juist gekomen voor het platteland. Thillay moest en zou mij echter de trots van Froncles laten zien. In de ontvangstruimte van het complex, waar ingewikkelde schroeven gemaakt worden, stelde Thillay mij voor aan de personeelschef.
Ik was student journalistiek en kwam kijken hoe het er in
la France profonde aan toe ging, vertelde Thillay. Ineens was ik niet zo verbaasd meer dat de burgemeester me niet wilde ontvangen. Wie wil er een studentje ontvangen dat bovendien met de nodige arrogantie verkondigt dat hij aapjes komt kijken in ‘het diepe, achtergestelde Frankrijk’. Die connotatie heeft la France profonde.
Ik probeerde me eruit te redden.
Monsieur Thillay had het toch niet helemaal goed begrepen. Ik zei dat ik correspondent ben voor een persbureau met in totaal twee miljoen lezers (dat soort cijfers doen het altijd goed bij interviewaanvragen en als mijn verhalen in alle kranten geplaatst worden, klopt het bovendien ook nog). Naar aanleiding van de Salon de l’Agriculture wilde ik een repo maken in la France rurale. Dat klonk al veel beter.
Verbaasd dat ik überhaupt Frans sprak, veranderde de stemming van de chef direct. Hij zou graag wat tijd vrijmaken om ons rond te leiden. Het was me te doen geweest om mijn eer te redden, met als resultaat dat ik min of meer tegen mijn wil een uur lang zou worden rondgeleid in een schroevenfabriek die me niet mateloos interesseerde.
Soit.
De rest van de dag zou Thillay iedereen die het maar horen wilde, of niet, vertellen hoe hij mij de fabriek binnen had gekregen. Zelf had hij de grootste werkgever in zijn dorp, waar hij een aantal directiewisselingen geleden zelf gewerkt had, al in geen jaren meer bezocht.
De dag eindigde mooi. Ik sprak de juiste mensen, de zon brak door, we dronken nog enkele glazen wijn op een woonboot, beklommen de heuvel met uitzicht over Froncles en uiteindelijk zou mijn collega-correspondent zelfs een verhaal aan mijn bezoek aan Froncles wijden.
Beetje jammer was dat ikzelf een domme fout in mijn eigen verhaal gemaakt heb. Zoon Frédéric had ik omgebouwd tot Frédérique. Elise en haar Vlaamse moeder ontging dat uiteraard niet. Moeder was bovendien niet bijzonder
amused dat ik had vermeld dat haar zoon op zijn zeventiende als gevolg van een ongelukje een kind had gekregen. Ik betwijfel of ik nog welkom ben in Froncles…

Salon de l'Agriculture

Saturday, March 3rd, 2007
Vandaag begint in Parijs de Salon de l’Agriculture, de jaarlijkse landbouwbeurs. Tot en met 11 maart zullen de Franse presidentskandidaten voor de verkiezingen over twee maanden vrijwel allen langskomen om te laten zien hoezeer zij zich verbonden voelen met het echte Frankrijk, het platteland, la France profonde. Deze week reisde ik af naar het dorpje Froncles in Haute-Marne, waar een Parijse vriendin van me vandaan komt en maakte ik een reportage. Lees die in het Nederlands Dagblad of in BN/De Stem. Later schrijf ik meer over deze vermakelijke dag.