Het Franse lied: IAM – Petit frère
Friday, November 9th, 2007Het Franse lied:
Het Franse lied:
Behalve Val d’Argent, waar duizenden mensen in belabberde omstandigheden wonen, is een groepje stinkende daklozen in een overdekt hoekje van het winkelcentrum Côté Seine, hem een doorn in het oog.
Het spelen van klassieke muziek om hen te verjagen, dat in een aantal steden schijnt te werken, was geen optie: ze bevinden zich aan de buitenzijde van het complex, waar het wat vreemd zou zijn muziek te spelen.
De gemeente moet toen gedacht hebben: we bestrijden hen met eigen middelen. Ze bestelde een soort bestrijdingsmiddel, Malodore (slechte geur), dat de reinigingsdienst op hun leefplek moest spuiten. Dat zou verder ongevaarlijk zijn. De versie van de betrokken daklozen die ik sprak in Argenteuil, was iets anders. Het middeltje leidt volgens hen tot braakpartijen en dagenlange ziekte.
Veel bewoners zijn verontwaardigd. ‘Daklozen zijn geen kakkerlakken,’ vertelde iemand me in het winkelcentrum. Lees het volledige verhaal vandaag in de GPD-kranten, waaronder het Nederlands Dagblad.
Ik hoor graag jullie reacties. Zijn er al weekendjes Parijs geannuleerd of valt het allemaal wel mee met de berichtgeving over geweld in Nederland? Of is geweld, hoe marginaal ook, een aanleiding voor berichtgeving?
Twee eerdere berichten over dit enigszins Luyendijkiaanse dilemma:
De zwarte zwartrijder van Gare du Nord, 30 maart 2006
Banlieue blog: baldadigheid
Ik ben benieuwd naar jullie mening over dit voorval.
Eén keer eerder bezocht ik Le Blanc-Mesnil. Dat was eind 2005, tijdens de uitbraak van stedelijk geweld in de Franse voorsteden. Hier lees je een uitgebreid verslag van het eerdere bezoek aan dat stadje in het departement Seine-Saint-Denis, dat Fransen meestal neuf trois (9-3) noemen.Eerdere berichten:
09/01/2006 Herinnering: de banlieue
22/12/2005 Bondy Blog
12/12/2005 Transvaalbuurt op springen?
07/12/2005 Flasback: van de Pyreneeën naar de voorsteden van Parijs
Vooral de berichten Baladigheid en Kon ze maar vertellen wat ze weet geven – in alle bescheidenheid – een aardige kijk op de problematiek.
Voor de rebellerende studenten en scholieren hebben de Franse media nóg meer sympathie. De situatie: het Franse parlement, rechtstreeks door het volk gekozen, neemt een wet aan waarmee de regering hoopt eindelijk iets te doen tegen de voortdurende jeugdwerkloosheid, die bijna een op de vier werkzoekende jongeren treft.
Een van de voorstellen is het ‘eerstebaan-contract’ (CPE), een nieuw arbeidscontract voor jongeren onder de 26. Een proeftijd van twee jaar moet werkgevers over de streep trekken jongeren aan te nemen. Onder de nu geldende wetgeving heeft een werknemer zoveel rechten, dat de baas nooit meer van hem of haar af kan komen als het even later toch minder goed blijkt te gaan, ofwel met het bedrijf, of met de werknemer. Twee jaar onzekerheid is natuurlijk bijzonder onaangenaam, maar ik denk dat het te prefereren is boven werkloosheid.
Daar kun je het mee oneens zijn. Dan kun je de straat op gaan om dat te laten zien en hopen dat de regering inziet dat het misschien geen goed idee is. Maar als zij dat niet doet, moet je je neerleggen bij de beslissing van de volksvertegenwoordigers. Volgend jaar zijn er verkiezingen. Als een meerderheid het met je eens is, heb je dan een nieuwe regering die het anders zal doen.
Voor veel Fransen ligt een dergelijke redenering dichtbij ‘fascisme’. Je moet naar de straat luisteren, ook al staat op absolute hoogtijdagen maximaal twee procent van de bevolking op straat. Als je niet luistert, ben je geen democraat.
Wat willen de demonstranten dan? Ik heb het hen en ook een aantal vrienden die fervent tegenstander zijn van het CPE gevraagd. Het antwoord luidt steevast: ‘Wij willen meer goede, vaste banen.’ Ja, maar dat proberen linkse en rechtse regeringen al tientallen jaren tevergeefs te bewerkstelligen. Hoe moeten die er dan komen, die vaste banen? In het beste geval volgt dan stilte, in andere (de meeste) gevallen begint het discours dat het allemaal de schuld is van het kapitalisme en het liberalisme of gewoon van Amerika.
De Franse pers stelt dit soort vragen over het algemeen niet. Die bericht slechts dat het verzet tegen de regering aanhoudt, dat de moedige studenten niet opgeven. Dat ze zelfs een motregenbuitje trotseren en dat de opkomst in geval van vakantie weliswaar iets lager was, maar dat ze er nog steeds met duizenden stonden. Blijkbaar is een vakantie-uitstapje voor veel studenten nog net iets belangrijker dan een strijd voor de toekomst. De pers heeft daar gelukkig begrip voor.
Toen ik zelf een paar keer meedeed aan een staking in de vierde of de vijfde van mijn middelbare school in Haarlem, betekende dat: biertjes kopen en met een groepje naar Amsterdam. Met pech raakte je in de optocht verzeild, waarvan je nauwelijks wist waarvoor of -tegen ze demonstreerden. Maar we kwamen vooral voor de muziekoptredens, de spanning (we streden érgens voor, eeuh waarvoor ook al weer?) en een leuk dagje uit.
Naar mijn indruk geldt in Frankrijk voor het merendeel precies hetzelfde. Veel demonstranten die ik ondervroeg, waren nauwelijks op de hoogte van de inhoud van het CPE en genoten van een zonnige dag in het centrum van Parijs. Bij de alimentations (levensmiddelenzaakjes) nabij de demonstratie stonden rijen jongeren grote blikken (meestal Nederlands) zwaar bier in te slaan of ze maakten in een groepje een fles wijn meester. Overal rook het naar wiet.
En als de rellen ‘s avonds uit de hand lopen, gaat het volgens de pers steevast om een ongeregeld groepje, die eigenlijk niet bij de studentenbeweging hoort. Het gaat vaak echter wel degelijk om Sorbonne-studenten die de ME bekogelen. Ze bewezen hoe diep ze kunnen zinken door bibliotheekboeken naar beneden te gooien. In totaal berokkenden ze hun universiteit voor tienduizenden euro’s schade.
Dat is geen revolte, dat is baldadige criminaliteit, net als de acties van de jongeren in de banlieue.