Archive for the ‘banlieue’ Category

Het Franse lied: Kery James – Banlieusards

Sunday, February 28th, 2010

Het kán wel: opgroeien in de banlieue en succesvol zijn.

Hema Frankrijk: où est le rookworst

Saturday, January 24th, 2009
PhotobucketHema in Créteil, vlak voor opening. In het midden in pak bestuursvoorzitter Ronald van Zetten. Foto: Olivier van Beemen

Voor stroopwafels, dropjes en Jip & Jannekebellenblazers hoef ik voortaan slechts een halfuurtje in de metro te zitten. Gisteren opende in Créteil de eerste Franse Hema. Het lijkt meteen een groot succes. Direct na opening was het druk in de eemá en alle klanten die ik ondervroeg reageerden buitengewoon enthousiast.
Het was een druk dagje: samen met collega Stefan de Vries maakte ik een reportage (luister hier) voor BNR Nieuwsradio en ik maakte verhalen voor de GPD en voor FD (vandaag op voorpagina tweede katern). Een groot deel van de Nederlandse pers ter plaatse was erbij en ook in Frankrijk was er enige aandacht, zoals hier op Capital.fr. Op hema.fr is het voorlopig nog wat stilletjes.

Une autre image des banlieues en France

Wednesday, November 26th, 2008

Photobucket
Cité Gaston-Dourdin, Saint-Denis © 2003 Ilse Frech

Voor de Parijzenaars onder de lezers: morgenavond zeven uur vindt een debat plaats over de beeldvorming rond de banlieue in het Institut Néerlandais, naar aanleiding van de fototentoonstelling I AM Pluri-elles van Ilse Frech. Sprekers zijn behalve de fotograaf zelf schrijfster Leïla Sebbar, journalist Yves Bodard, en fotograaf Mohammed Bourouissa.

Op stap met Vogelaar in Franse 'krachtwijk'

Thursday, June 26th, 2008

Photobucket

Ella Vogelaar ontmoet een groep jonge ondernemers uit de banlieue tijdens bezoek aan Val Fourré. Slimane Bensala (rechts) is oprichter van het succesvolle modehuis Benmaz. Foto: Olivier van Beemen

Morgen een verhaal van mijn hand in Het Financieele Dagblad over een bezoek van minister Ella Vogelaar (Wonen, Wijken, Integratie) aan de wijk Val Fourré in Mantes-la-Jolie.

Het Franse lied: Wax Tailor – Our Dance

Sunday, April 27th, 2008
Een paar jaar geleden interviewde ik enkele medewerkers van het radiostation Droit de Cité (een woordspeling die ‘rechtstreeks uit de voorstad’ en ‘recht van spreken’ combineert) in de beruchte wijk Val Fourré van Mantes-la-Jolie. En een jaartje geleden zag ik een concert van Wax Tailor in de concertzaal Elysée Montmartre bij Pigalle, gratis aangeboden door een beroemd ijscomerk.
De link tussen beide evenementen had ik niet direct gezien, maar bestaat wel degelijk. Wax Tailor, ofwel Jean-Christophe Le Saout, zette zijn eerste stappen in de muziek bij dat radiostation. Fijne triphop, beïnvloed door onder meer Nina Simone met samples van films van Alfred Hitchcock en Woody Allen.

Huishoudelijk: de bedoeling is enige structuur in het blog aan te brengen. Maandag: muziekdag, woensdag: fotoquiz en vrijdag Paris selon Gregoire. Dan weet u op welke dagen u in ieder geval even langs moet surfen. En de andere dagen wordt u verrast, dus zou ik voor de zekerheid ook even kijken.

Aangifte op het politiebureau

Saturday, December 1st, 2007

Les victimes d’infractions pénales bénéficient d’un accueil privilégié

Een bevoorrechte ontvangst zou me gisteren staan te wachten op het politiebureau van Juvisy volgens artikel 4 van de verklaring van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daar deed ik aangifte van mishandeling en diefstal een dag eerder in La Grande Borne in Grigny.

Eerst reis ik terug naar de buurt zelf, in gezelschap van collega en vriend Stefan de Vries, correspondent voor onder meer BNR Nieuwsradio, om mijn fiets op te halen. Met trein en bus reizen we naar La Grande Borne. Uiteraard ben ik angstiger dan normaal, zeker als we groepjes jongeren passeren. Het verloopt probleemloos. Boven de buurt vliegt een politiehelikopter.
Het politiebureau is in de nabijgelegen voorstad Juvisy sur Orge. Het welkom is bemoedigend: ‘Ik hoop dat we uw aangifte kunnen ontvangen.’ Maar zeker weet hij dat niet. De man vindt dat journalisten veel te vaak over voorsteden schrijven en raadt me af alleen dat soort buurten in te gaan. ‘Wat er nu in België aan de hand is, dat is toch ook heel erg.’
Na drie kwartier wachten word ik ontvangen door een agente. Ze heeft niet veel zin in mijn aangifte. Ze belt met een andere agent tegen wie ze zegt dat ze eigenlijk al thuis had moeten zijn.
Ze luistert naar mijn verhaal, maar vindt het allemaal maar niets. Waarom ben ik in vredesnaam naar La Grande Borne gegaan? Waarom ben ik gisteren niet meteen gekomen? Ze zucht meerdere malen. ‘J’en peux plus,’ zegt ze tegen een vriendin die ze belt dat ze wat later komt. ‘Ik kan er niet meer tegen’.
Wanneer ik vertel dat ik de haat in de ogen van een van de jongens zag, kijkt ze ongeïnteresseerd. ‘Ik wil graag feiten horen,’ zegt ze. Ze reageert geïrriteerd als ik zeg niet zeker te zijn of het vier of vijf jongens waren. ‘Dat past niet in mijn computer.’ Tegen een agent die langskomt, zegt ze: ‘Er is een lange beschrijving bij dit verhaal. Daar ben ik nog wel even zoet mee’. Putain, antwoordt hij vol medeleven.
Verder vraagt ze bezorgd waarom ik aantekeningen maak (ik antwoord dat ik met haar meeschrijf) en zegt ze dat journalisten het altijd maar beter denken te weten als ik af en toe kritisch ben. Zo wil ze me laten verklaren dat ik de jongens niet goed gezien heb. Dat heb ik wel, antwoord ik, ik kan alleen niet meer goed beschrijven hoe ze eruit zien. Een irrelevant verschil, vindt ze.
Ik wil details geven over het uiterlijk van de jongen die ik het duidelijkst gezien heb, maar de agente vindt dat onnodig. ‘Ik weet waar ik mee bezig ben’, zegt ze.
Het proces-verbaal zit barstensvol spelfouten. Ik zal het binnenkort misschien inscannen. Ook het merk van mijn gestolen computer heeft ze verkeerd geschreven: Appel in plaats van Apple. Ik vraag of dat geen probleem is. ‘Als ik snel typ, kan er af en toe een foutje in zitten. Dat is niet erg,’ antwoordt ze.
We krijgen nog bijna ruzie als ik opmerk dat ze wel eens mag ophouden met zuchten en wellicht iets vriendelijker zou mogen zijn. Het was misschien niet zo slim van me alleen die buurt in te gaan, maar dat is nu gebeurd en ik doe aangifte van een geweldsmisdrijf. Ik zeg dat ik begrijp dat het vervelend is dat ze langer door moet werken, maar dat dat ook weer niet echt mijn fout is. Daarop ontkent ze dat ze zucht en vermoeid is.
We bekijken mogelijke daders op de computer. Ik krijg 57 zwarte, soms piepjonge jongens te zien uit heel Frankrijk, maar weet zeker dat hij er niet tussen zit.
Ik vraag wat er verder te gebeuren staat. Het gaat rond langs alle politiebureaus, zei ze. Een actieve zoektocht naar de daders zal niet plaatsvinden.

Enkele reageerders her en der op internet betwijfelen of me daadwerkelijk iets overkomen is omdat ik schrijf over een paar schrammetjes. Ik weet dat ik hen eigenlijk niet serieus zou moeten nemen, maar kan ze desalniettemin enigszins gerust stellen: ik bleek na een nacht slapen een blauw oog te hebben, en bloeduitstortingen op mijn voorhoofd, rechteroor en in mijn nek. Verder hartelijk dank aan iedereen die bemoedigende reacties en e-mails heeft verstuurd.

Mishandeld en beroofd in La Grande Borne

Friday, November 30th, 2007
Tijdens een reportage overdag in een Franse voorstad, ben ik slachtoffer geworden van een gewelddadige beroving door een groepje van vier of vijf jongeren. Hier het uitgebreide verhaal.

Bibliothecaris Julien heeft het idee dat het echt beter gaat met de buurt La Grande Borne in Grigny. De voorstad, die in het verleden regelmatig in het nieuws kwam door rellen en buitensporig vandalisme, is een van de meest beruchte achterstandsbuurten rond Parijs.
Julien herkent me nog van een eerder bezoek en negeert de gemeenteregel dat ambtenaren eerst toestemming moeten vragen voordat ze met een journalist mogen spreken. ‘Er wordt een groot nieuw sociaal centrum gebouwd voor buurtverenigingen en er komt een nieuwe weg door de afgesloten buurt om weer wat leven in de brouwerij te brengen,’ onderbouwt hij zijn optimisme.

Boekverbranding
Ik ben de afgelopen twee jaar al een keer of vijf in Grigny geweest. Begin vorig jaar had ik zelfs het idee me er een tijdje te vestigen in de hoop zo’n banlieue nu eens echt goed te leren kennen. Na een paar dagen werd dat plan bruut verstoord door de studentendemonstraties in Parijs tegen het jongerencontract CPE.
De wijk ziet er ook nu, een jaar na mijn laatste bezoek, troosteloos uit, vooral op een druilerige dag als deze. Wel valt me op dat er steigers bij een muur staan en dat er inderdaad een sociaal centrum wordt gebouwd. Iets van alle miljarden die de overheid keer op keer belooft, komt dus wel degelijk in de buurten terecht.

Ik laat mijn verhaal beginnen in de bibliotheek. Tijdens het geweld begin deze week zijn in Villiers-le-Bel bij Parijs en in Toulouse net als twee jaar geleden bibliotheken in brand gestoken. Bibliotheken. Kenniscentra, die de bevolking juist kunnen helpen in hun zoektocht naar een betere toekomst.
Volgens Julien moet je geen symbolische waarde hechten aan de boekverbrandingen. ‘Die jongens verbranden simpelweg wat ze tegenkomen. De auto van hun buren, de winkel waar hun ouders werken. Ze hebben het vooral voorzien op alles wat de staat vertegenwoordigt: de bus die hun buurt bedient, scholen en dus ook bibliotheken. Vaak hoor je diezelfde mensen klagen dat de staat nooit iets voor ze doet.’
In de bibliotheek zitten vier oude dametjes uit het bejaardenhuis thee te drinken. Verder is het vrijwel leeg. ‘We hebben ongeveer honderd regelmatige bezoekers,’ zegt Julien. De buurt telt 13.000 inwoners. ‘Toch moet je het belang niet onderschatten. Ik zie dat mensen hier opbloeien, vooral meisjes. Bovendien is er de sociale functie, kijk maar naar die oude vrouwen.’

Jij bent van de politie
Buiten maak ik wat foto’s van de bibliotheek voor bij het verhaal. Ik loop door de buurt, spreek enkele mensen aan en bezoek de groenteboer en het internetshopje vanwaar ik veel geblogd heb anderhalf jaar geleden. Erg spraakzaam zijn de meesten vandaag niet.
Het loopt tegen half vijf, tijd om mijn verhaal te schrijven en door te sturen naar de kranten. Toch zou het leuk zijn nog een enthousiaste jonge bibliotheekbezoeker in het verhaal te hebben. De scholen zijn uit en ik besluit nog even snel langs te gaan om te zien of het wat drukker is.
Op het plein voor de bibliotheek komt een jongen op een fiets op me af. ‘Jij bent van de politie met je fototoestel.’ Drie of vier anderen, allen met zwarte huidskleur en wijde kleren met capuchon, voegen zich bij hem.
Een klein mannetje – misschien is hij pas 14, misschien ook wel 18 – komt op me aflopen, gedekt door de anderen. ‘Ik nam foto’s van de bibliotheek’, zeg ik. ‘Ik ben bezig met een verhaal over het belang van een bibliotheek in de buurt. Ik laat jullie mijn perskaart zien.’
Het maakt geen indruk. In de ogen van de jongen zie ik haat, zoals ik die nog nooit gezien heb. Onder zijn capuchon heeft hij zijn ogen bijna dichtgeknepen. Toch kijken ze intens naar me. Hij begint te slaan.
De anderen volgen. Ze proberen met de opening van een trappenhuis pal naast de bibliotheek binnen te duwen, een cage d’escalier. Even tevoren heb ik de poëtische graffititeksten daar nog genoteerd: Fuck la police pour la vie. Ik neuk ze in hun reet.
Uit krantenartikelen en van televisie weet ik dat in de donkere, naar urine stinkende trappenhuizen de ergste dingen gebeuren: geweldsmisdrijven, berovingen, groepsverkrachtingen. Daar moet ik buiten zien te blijven.
Met z’n vier of vijven slagen ze er toch in mij erin te duwen. Ze schoppen en slaan me, waarbij ze het vrijwel uitsluitend op mijn hoofd voorzien hebben. Ik schreeuw om hulp en denk dat omstanders – het is nog licht – me gehoord moeten hebben. Hulp komt niet.
Mijn fototoestel en laptop – ik wilde het verhaal direct vanaf een draadloze internetplek versturen om een uurtje tijd te winnen – in mijn rugtas heb ik dan opgegeven. Mijn portemonnee mogen ze ook hebben. Ze schoppen maar door: even vrees ik voor mijn leven.
Wanneer de buit onverwacht waardevol blijkt, neemt de druk iets af en kan ik naar buiten glippen. Ik ren de bibliotheek in. Een jongen wil me nog achterna, maar wordt tegengehouden door de anderen.
In de bibliotheek is de politie al gebeld. ‘We dachten dat het om huiselijk geweld ging.’ Dan grijpen ze blijkbaar niet in. Te gevaarlijk. Na ruim twintig minuten komt de eerste hulp. Nog later komt de politie. Behalve enkele schrammen op mijn voorhoofd, oor en lip blijk ik niets te mankeren.

Franse bureaucratie
De hulpverleners laten duidelijk blijken dat het om een alledaags vergrijp gaat. ‘Vorige week nog een dametje met haar tas.’ Na veel aandringen vind ik iemand bereid die mij een telefoon leent om naar Nederland te bellen om naasten op de hoogte te stellen en mijn bankpassen te laten blokkeren.
Aanvankelijk wil ik niet naar het ziekenhuis, maar later toch maar wel. Een man van de eerste hulp zegt dat dat niet meer kan. Ik heb immers al aangegeven dat ik het niet wilde. Ai, de Franse bureaucratie, ook nu. Uiteindelijk ‘mag’ ik dan toch. In de ambulance naar Evry.
Maar eerst nog even mijn fiets op halen, die nog op een parkeerplaats staat. Ik denk mijn fietssleutel kwijt te zijn, maar vind die later weer terug. De politie wil mijn fiets losknippen, waarna ik die in de bibliotheek mag zetten, maar krijgt het slot niet doorgeknipt. ‘Een Hollands slot hè’, luidt hun commentaar.
In het ziekenhuis gaat de bureaucratie door. Tot mijn verbazing moet ik wachten. Maximaal een half uur, wordt me gezegd. Dat vind ik best lang, voor iemand die net een traumatische ervaring heeft meegemaakt. Terwijl ik zit te wachten, voert de politie net een jongen af in handboeien. Zijn rechter broekspijp zit vol bloedspetters.

Trein naar Villiers-le-Bel
In een overvolle gang vol ellende moet ik uiteindelijk twee uur en een kwartier wachten, totdat een dokter in twee minuten hetzelfde constateert als de man van de eerste hulp. ‘Het beste gezondheidssysteem ter wereld

Uw correspondent beroofd en in elkaar geslagen in banlieue

Thursday, November 29th, 2007
Het plein waar het onheil zich eind van de middag afspeelde. Deze foto nam ik ruim anderhalf jaar geleden, toen ik al eens uitgebreid verslag deed vanuit La Grande Borne in Grigny. Op dat moment stond een auto in brand in een overdekte parkeergarage.
Slecht nieuws uit Parijs. Ik ben eind van de middag in elkaar geslagen en beroofd van mijn fototoestel en laptop in de voorstad Grigny, ten zuiden van Parijs. Vier of vijf jongens dachten dat ik ze fotografeerde en zeiden dat ik een politieagent was.
Dat was in hun ogen een geldig excuus me een trappenhuis binnen te duwen, waar ze me begonnen te slaan en daarna op mijn hoofd intrapten. Ik dacht even dat ik er geweest was. Toen ze mijn portemonnee, computer en fototoestel hadden, kon ik er vandoor glippen en de bibliotheek binnen vluchten.
Wonder boven wonder heb ik niet meer dan een paar schrammetjes opgelopen. Een uitgebreider verslag leest u hier.

Een rappende Franse Kwal

Wednesday, November 28th, 2007
Zoals Alex (in de reacties) op scherpe wijze opmerkt, was het een ongewone dag vandaag voor mij in Parijs. Geen quizjes of een frisse wind uit Montcuq, maar serieuze verhalen die via allerlei media bij de lezers dan wel luisteraars terecht zijn gekomen.
Niet alleen mijn gebruikelijke opdrachtgevers waren geïnteresseerd in mijn nachtelijke escapades naar Villiers-le-Bel, maar ook drie verschillende radiostations: een studentenzender in Utrecht, BNR en BNN Today op radio 1, waar ik sinds ruim een maand Exit Hollander ben.
Het interviewtje op BNN was niet vanuit het openbaar vervoer, maar vanaf de Rue Oberkampf, waar ik even naar buiten was gegaan bij een concert van de slammer Kwal (filmpje).

Een avondje rellen in de banlieue van Parijs

Monday, November 26th, 2007
Villiers-le-Bel, iets voor negen maandagavond

Waarin uw correspondent afreist naar Villiers-le-Bel, boze buurtbewoners en een geruïneerde kapper spreekt en bekogeld wordt met stenen.

Als je er middenin staat, kun je bijna niet anders oordelen: dit is een burgeroorlog, een stadsguerilla. De Franse troepen vertegenwoordigd door vervaarlijke ME’ers met helmen, schilden en knuppels aan de ene kant, de Arabieren en de zwarte Afrikanen met stokken en stenen, verscholen onder capuchons, aan de andere zijde: het doemscenario dat Jean-Marie Le Pen me in zijn villa in Saint-Cloud op een winterse dag vijf jaar geleden voorspiegelde tijdens een interview.
Rustig, even op adem komen voordat ik allemaal groteske informatie het wereldwijde web op stuur. Ik ben net terug van een paar uurtjes rellen in Villiers-le-Bel en wat ik gezien heb, was heftig, af en toe zelf angstaanjagend. Tijdens de rellen van twee jaar geleden, daarvoor en daarna ben ik meerdere malen de buurten ingetrokken, ook ’s avonds, maar zo midden in de actie als zojuist heb ik me nog niet bevonden.
Terug naar vanavond 19:30. Op het nieuws van France 3 zie ik dat het nog rustig is na een woelige nacht gisteren in Villiers-le-Bel, 15 kilometer ten noorden van Parijs. Gisterenmiddag zijn Moushin (15) en Larimi (16) daar omgekomen, toen zij zonder helm met hun crossmotor tegen een politiewagen aanknalden. Volgens de politie gaat het om een ongeluk, volgens veel mensen in de buurt is het eerder een ‘afrekening’. De vader van Larimi heeft verteld hoe zijn zoon al eerder bedreigd was en buurtbewoners wijzen op de aanzienlijke schade aan de politieauto. De grote deuk bewijst volgens hen dat er geen sprake was van een auto die vijftig reed en per ongeluk tegen een motor op was gereden, maar van een bewuste botsing op hoge snelheid.

Verkrachting op RER D
Hoewel je erg moet uitkijken met berichtgeving over de banlieue – voor je het weet annuleert half Nederland weer zijn vakantie naar Parijs – besluit ik dat de hevigheid van gisteren (40 politieagenten en één brandweerman gewond, onder wie twee zwaar, en veel materiële schade) het rechtvaardigt toch maar eens een kijkje te nemen. Het al dan niet bezoeken van de voorsteden op zo’n moment is telkens een moeilijk dilemma, want ik ben me ervan bewust dat media-aandacht de rellen over het algemeen stimuleert. Maar ja, het gebeurt toch en het is nieuwswaardig, dus negeren kun je het ook niet.

Om acht uur zit ik in de RER-trein D naar Creil, de lijn waarop dit weekend een 23-jarige studente (journalistiek) met ruim 30 messteken werd vermoord, toen zij zich verzette tegen een verkrachting. Nu praten twee Arabische meisjes vrij luidruchtig over wie het in hun klas allemaal met wie heeft gedaan en over de laatste mode in de RER B, een andere spoorlijn in en rond Parijs: je verbergen in het hok van de machinist. Maar wel zorgen dat je niet opgemerkt wordt. Anders kost het je 600 euro boete.

Ik stap uit op station Villiers-le-Bel – Gonesse – Arnouville, waar ik meteen doorheb dat ik goed zit: al op het perron ruik je de penetrante brandlucht.
Ik heb mijn fiets in de trein meegenomen. Uit ervaring weet ik dat zo’n voorstad vaak erg groot is en bovendien geeft de fiets me de gelegenheid er weer rap vandoor te gaan als het gevaarlijk dreigt te worden.
De kaart hoef ik niet te raadplegen om in de juiste buurt te komen. Volg het spoor van vuur en vandalisme. Direct buiten het station, dat is gevestigd in de gemeente Arnouville, zie ik Villiers-le-Bel liggen. Vlak na het plaatsnaambord (foto links) staat een vuilcontainer te branden met enkele jongeren niet ver daarvandaan. Ik ben op de goede weg.
Toch sla ik een verkeerde straat in. Ik beland in een wijk vol hoogbouw, maar er is niemand op straat. Op tv heb ik gezien dat er 300 man ME op de been is, dus hier moet ik niet zijn. Een jongen roept me vriendelijk na: ‘fiets maar snel door jij’ en drie brommertjes snijden me hinderlijk de weg af. Stomme allochtoon die ik in deze buurt ben. Dan hoor ik fikse knallen enkele honderden meters achter de flatgebouwen. Daar word ik verwacht.
Langs de doorgaande weg erheen zie ik talrijke buurtbewoners richting hun huis lopen. De busdienst blijkt wegens het geweld afgeschaft. De laatste paar honderd meter lopen ze langs een lange rij ME-busjes en door een dikke laag traangas. Welkom thuis na een lange dag werken.
In de bewuste wijk hebben ze mijn komst niet afgewacht. Op een vierbaansweg ligt een auto te branden (foto boven), een andere op een parkeerterrein ondergaat eenzelfde lot. Een verontruste buurtbewoner haalt zijn vrachtwagentje daarnaast weg, voordat die ook vlam zou vatten.

Oorlogsjournalistiek
Ik zie een lange laan, waar tientallen ME’ers (CRS in het Frans) tegenover een groot vuur enkele tientallen meters verder staan. Daarachter staan de jongeren, die stenen gooien.
Ik voel de adrenaline. Oorlogsjournalistiek trekt me niet erg aan, maar dit is toch verdomde spannend. Met een omweg wil ik nog dichter bij de actie komen, niet aan de kant van de ME, maar aan de andere kant.

Dat plan slaagt. Hoewel ik op mijn fiets redelijk opval laat iedereen me met rust. Ik schrik. Ik zie een kapperszaak die compleet vernield is. Ruiten ingeslagen, wasbakken omver gegooid, spiegels kapot, alle haarspulletjes over de vloer. Eigenaar Yves Lemoigne heeft er nauwelijks woorden voor. ‘Dertig jaar zit ik in de buurt, ik kan het met iedereen goed vinden en dan sturen ze me op zo’n manier met vervroegd pensioen.’
Even verderop staan de jongens. Met stokken en stenen slopen ze alles wat ze kunnen. Ze komen richting kapperszaak gerend. ‘Blijf hier staan’, zegt Lemoignes vrouw tegen me, ‘ik hou je fiets wel vast’.
De jongens passeren. ‘Je moet hier nu echt weg’, spreekt Yves Lemoigne tegen me op vaderlijke wijze (het leeftijdsverschil is ernaar). ‘Dit is veel te gevaarlijk.’ Hij heeft gelijk.

Nicolas uit La Courneuve
Ik keer terug naar iets veiliger gebied. Twee mannen in een auto spreken me aan. Ze zijn van het 6-minuten nieuws van tv-zender M6 (zo lang kunnen kijkers van die zender naar één programma kijken). Of het goed gaat op de fiets? Ach ja, ik ben wel lekker mobiel zo.
Dan kom ik Nicolas tegen, een verhaal apart. Hij is met een vriend op zij
n racefiets uit de voorstad La Courneuve aan komen fietsen toen ze op het nieuws zagen hoe spectaculair het er in Villiers aan toe ging. Beiden zijn volgens Nicolas handicappés. Dat specificeert hij niet, maar ik vermoed dat ze een lichte mentale achterstand hebben. Dat uit zich deze avond in een panische angst en – eerlijk is eerlijk – zijn situatie is er ook wel naar.
Het probleem is dat hij zijn vriend kwijt is. Hij vreest dat die in de rellen is beland en wellicht gewond is geraakt, maar hij heeft geen idee tot wie hij zich moet richten. Bovendien is Nicolas’ Go Sport-jasje gescheurd, wat hem minstens evenzeer verontrust.
De ME is niet erg aardig tegen hem en ik weet helaas ook niet zo snel de oplossing. Beide vrienden hebben geen telefoon en Nicolas weet niet of zijn vriend de weg terug zou weten naar La Courneuve. ‘Wat ben ik toch stom’, herhaalt Nicolas maar. ‘Ik had hier nooit naar toe moeten komen.’
Vervolgens stuit ik op een groepje buurtbewoners van net boven de dertig. Ze vinden dat de jongeren groot gelijk hebben dat ze de politie te lijf gaan. Ik ben zeker chrétien, christen, vraagt een man me. Dan kan ik niet begrijpen wat hier gebeurt. Blanke Fransen noemen ze ‘Galliërs’ en de politie is zonder uitzondering racistisch. Bovendien staat die onder leiding van hun aartsvijand Sarkozy, die op dit moment in China miljardenorders binnenhaalt voor Airbus en voor kernreactorbouwer Areva. ‘Om de de dood van een paar immigranten bekommert hij zich niet.’

Bekogeld met stenen
Een gezette Antilliaanse vrouw noemt de schade die de jongeren in de buurt aanrichten dommage collatéral. Ze zegt de jongeren volledig te begrijpen. Tenzij die het zouden wagen haar auto in de brand te steken, dan zou ze er geen goed woord voor over hebben.
Terwijl zij haar fraaie statements via een Nederlands medium wereldkundig maakt, voel ik een harde steen tegen mijn arm. Vanuit een tegenoverliggende flat worden we bekogeld. ‘Wij zijn geen flikken’, roepen mijn gesprekspartners naar boven. Maar het gooien houdt aan. Ik besluit het maar weer elders te zoeken.
Na een ontmoeting met de sympathieke studente Léticia (die bewaar ik voor de kranten van morgen) en een brandend fabrieksgebouw vol auto’s, begeef ik me richting station. Ondanks storingen komt de trein vrij snel, waarna ik een halfuurtje later met mijn fiets bovengronds kom in het gemoedelijke Quartier Latin. Daar lopen de bioscoopvoorstellingen net ten einde, laven de al dan niet ’stakende’ studenten zich aan een glas bier en genieten toeristen van slakken en kikkerbilletjes. Zelf haal ik een afhaalmaaltijd bij een Japanner. In de banlieue, aan de andere kant van de wereld op twintig kilometer afstand, blijft het tot half twee onrustig.