Het Franse lied: Kery James – Banlieusards
Sunday, February 28th, 2010Het kán wel: opgroeien in de banlieue en succesvol zijn.
Het kán wel: opgroeien in de banlieue en succesvol zijn.
Hema in Créteil, vlak voor opening. In het midden in pak bestuursvoorzitter Ronald van Zetten. Foto: Olivier van Beemen

Cité Gaston-Dourdin, Saint-Denis © 2003 Ilse Frech
Morgen een verhaal van mijn hand in Het Financieele Dagblad over een bezoek van minister Ella Vogelaar (Wonen, Wijken, Integratie) aan de wijk Val Fourré in Mantes-la-Jolie.
Huishoudelijk: de bedoeling is enige structuur in het blog aan te brengen. Maandag: muziekdag, woensdag: fotoquiz en vrijdag Paris selon Gregoire. Dan weet u op welke dagen u in ieder geval even langs moet surfen. En de andere dagen wordt u verrast, dus zou ik voor de zekerheid ook even kijken.
Les victimes d’infractions pénales bénéficient d’un accueil privilégié
Eerst reis ik terug naar de buurt zelf, in gezelschap van collega en vriend Stefan de Vries, correspondent voor onder meer BNR Nieuwsradio, om mijn fiets op te halen. Met trein en bus reizen we naar La Grande Borne. Uiteraard ben ik angstiger dan normaal, zeker als we groepjes jongeren passeren. Het verloopt probleemloos. Boven de buurt vliegt een politiehelikopter.
Het politiebureau is in de nabijgelegen voorstad Juvisy sur Orge. Het welkom is bemoedigend: ‘Ik hoop dat we uw aangifte kunnen ontvangen.’ Maar zeker weet hij dat niet. De man vindt dat journalisten veel te vaak over voorsteden schrijven en raadt me af alleen dat soort buurten in te gaan. ‘Wat er nu in België aan de hand is, dat is toch ook heel erg.’
Na drie kwartier wachten word ik ontvangen door een agente. Ze heeft niet veel zin in mijn aangifte. Ze belt met een andere agent tegen wie ze zegt dat ze eigenlijk al thuis had moeten zijn.
Ze luistert naar mijn verhaal, maar vindt het allemaal maar niets. Waarom ben ik in vredesnaam naar La Grande Borne gegaan? Waarom ben ik gisteren niet meteen gekomen? Ze zucht meerdere malen. ‘J’en peux plus,’ zegt ze tegen een vriendin die ze belt dat ze wat later komt. ‘Ik kan er niet meer tegen’.
Wanneer ik vertel dat ik de haat in de ogen van een van de jongens zag, kijkt ze ongeïnteresseerd. ‘Ik wil graag feiten horen,’ zegt ze. Ze reageert geïrriteerd als ik zeg niet zeker te zijn of het vier of vijf jongens waren. ‘Dat past niet in mijn computer.’ Tegen een agent die langskomt, zegt ze: ‘Er is een lange beschrijving bij dit verhaal. Daar ben ik nog wel even zoet mee’. Putain, antwoordt hij vol medeleven.
Verder vraagt ze bezorgd waarom ik aantekeningen maak (ik antwoord dat ik met haar meeschrijf) en zegt ze dat journalisten het altijd maar beter denken te weten als ik af en toe kritisch ben. Zo wil ze me laten verklaren dat ik de jongens niet goed gezien heb. Dat heb ik wel, antwoord ik, ik kan alleen niet meer goed beschrijven hoe ze eruit zien. Een irrelevant verschil, vindt ze.
Ik wil details geven over het uiterlijk van de jongen die ik het duidelijkst gezien heb, maar de agente vindt dat onnodig. ‘Ik weet waar ik mee bezig ben’, zegt ze.
Het proces-verbaal zit barstensvol spelfouten. Ik zal het binnenkort misschien inscannen. Ook het merk van mijn gestolen computer heeft ze verkeerd geschreven: Appel in plaats van Apple. Ik vraag of dat geen probleem is. ‘Als ik snel typ, kan er af en toe een foutje in zitten. Dat is niet erg,’ antwoordt ze.
We krijgen nog bijna ruzie als ik opmerk dat ze wel eens mag ophouden met zuchten en wellicht iets vriendelijker zou mogen zijn. Het was misschien niet zo slim van me alleen die buurt in te gaan, maar dat is nu gebeurd en ik doe aangifte van een geweldsmisdrijf. Ik zeg dat ik begrijp dat het vervelend is dat ze langer door moet werken, maar dat dat ook weer niet echt mijn fout is. Daarop ontkent ze dat ze zucht en vermoeid is.
We bekijken mogelijke daders op de computer. Ik krijg 57 zwarte, soms piepjonge jongens te zien uit heel Frankrijk, maar weet zeker dat hij er niet tussen zit.
Ik vraag wat er verder te gebeuren staat. Het gaat rond langs alle politiebureaus, zei ze. Een actieve zoektocht naar de daders zal niet plaatsvinden.
Enkele reageerders her en der op internet betwijfelen of me daadwerkelijk iets overkomen is omdat ik schrijf over een paar schrammetjes. Ik weet dat ik hen eigenlijk niet serieus zou moeten nemen, maar kan ze desalniettemin enigszins gerust stellen: ik bleek na een nacht slapen een blauw oog te hebben, en bloeduitstortingen op mijn voorhoofd, rechteroor en in mijn nek. Verder hartelijk dank aan iedereen die bemoedigende reacties en e-mails heeft verstuurd.
Bibliothecaris Julien heeft het idee dat het echt beter gaat met de buurt La Grande Borne in Grigny. De voorstad, die in het verleden regelmatig in het nieuws kwam door rellen en buitensporig vandalisme, is een van de meest beruchte achterstandsbuurten rond Parijs.
Julien herkent me nog van een eerder bezoek en negeert de gemeenteregel dat ambtenaren eerst toestemming moeten vragen voordat ze met een journalist mogen spreken. ‘Er wordt een groot nieuw sociaal centrum gebouwd voor buurtverenigingen en er komt een nieuwe weg door de afgesloten buurt om weer wat leven in de brouwerij te brengen,’ onderbouwt hij zijn optimisme.
Boekverbranding
Ik ben de afgelopen twee jaar al een keer of vijf in Grigny geweest. Begin vorig jaar had ik zelfs het idee me er een tijdje te vestigen in de hoop zo’n banlieue nu eens echt goed te leren kennen. Na een paar dagen werd dat plan bruut verstoord door de studentendemonstraties in Parijs tegen het jongerencontract CPE.
De wijk ziet er ook nu, een jaar na mijn laatste bezoek, troosteloos uit, vooral op een druilerige dag als deze. Wel valt me op dat er steigers bij een muur staan en dat er inderdaad een sociaal centrum wordt gebouwd. Iets van alle miljarden die de overheid keer op keer belooft, komt dus wel degelijk in de buurten terecht.
Ik laat mijn verhaal beginnen in de bibliotheek. Tijdens het geweld begin deze week zijn in Villiers-le-Bel bij Parijs en in Toulouse net als twee jaar geleden bibliotheken in brand gestoken. Bibliotheken. Kenniscentra, die de bevolking juist kunnen helpen in hun zoektocht naar een betere toekomst.
Volgens Julien moet je geen symbolische waarde hechten aan de boekverbrandingen. ‘Die jongens verbranden simpelweg wat ze tegenkomen. De auto van hun buren, de winkel waar hun ouders werken. Ze hebben het vooral voorzien op alles wat de staat vertegenwoordigt: de bus die hun buurt bedient, scholen en dus ook bibliotheken. Vaak hoor je diezelfde mensen klagen dat de staat nooit iets voor ze doet.’
In de bibliotheek zitten vier oude dametjes uit het bejaardenhuis thee te drinken. Verder is het vrijwel leeg. ‘We hebben ongeveer honderd regelmatige bezoekers,’ zegt Julien. De buurt telt 13.000 inwoners. ‘Toch moet je het belang niet onderschatten. Ik zie dat mensen hier opbloeien, vooral meisjes. Bovendien is er de sociale functie, kijk maar naar die oude vrouwen.’
Jij bent van de politie
Buiten maak ik wat foto’s van de bibliotheek voor bij het verhaal. Ik loop door de buurt, spreek enkele mensen aan en bezoek de groenteboer en het internetshopje vanwaar ik veel geblogd heb anderhalf jaar geleden. Erg spraakzaam zijn de meesten vandaag niet.
Het loopt tegen half vijf, tijd om mijn verhaal te schrijven en door te sturen naar de kranten. Toch zou het leuk zijn nog een enthousiaste jonge bibliotheekbezoeker in het verhaal te hebben. De scholen zijn uit en ik besluit nog even snel langs te gaan om te zien of het wat drukker is.
Op het plein voor de bibliotheek komt een jongen op een fiets op me af. ‘Jij bent van de politie met je fototoestel.’ Drie of vier anderen, allen met zwarte huidskleur en wijde kleren met capuchon, voegen zich bij hem.
Een klein mannetje – misschien is hij pas 14, misschien ook wel 18 – komt op me aflopen, gedekt door de anderen. ‘Ik nam foto’s van de bibliotheek’, zeg ik. ‘Ik ben bezig met een verhaal over het belang van een bibliotheek in de buurt. Ik laat jullie mijn perskaart zien.’
Het maakt geen indruk. In de ogen van de jongen zie ik haat, zoals ik die nog nooit gezien heb. Onder zijn capuchon heeft hij zijn ogen bijna dichtgeknepen. Toch kijken ze intens naar me. Hij begint te slaan.
De anderen volgen. Ze proberen met de opening van een trappenhuis pal naast de bibliotheek binnen te duwen, een cage d’escalier. Even tevoren heb ik de poëtische graffititeksten daar nog genoteerd: Fuck la police pour la vie. Ik neuk ze in hun reet.
Uit krantenartikelen en van televisie weet ik dat in de donkere, naar urine stinkende trappenhuizen de ergste dingen gebeuren: geweldsmisdrijven, berovingen, groepsverkrachtingen. Daar moet ik buiten zien te blijven.
Met z’n vier of vijven slagen ze er toch in mij erin te duwen. Ze schoppen en slaan me, waarbij ze het vrijwel uitsluitend op mijn hoofd voorzien hebben. Ik schreeuw om hulp en denk dat omstanders – het is nog licht – me gehoord moeten hebben. Hulp komt niet.
Mijn fototoestel en laptop – ik wilde het verhaal direct vanaf een draadloze internetplek versturen om een uurtje tijd te winnen – in mijn rugtas heb ik dan opgegeven. Mijn portemonnee mogen ze ook hebben. Ze schoppen maar door: even vrees ik voor mijn leven.
Wanneer de buit onverwacht waardevol blijkt, neemt de druk iets af en kan ik naar buiten glippen. Ik ren de bibliotheek in. Een jongen wil me nog achterna, maar wordt tegengehouden door de anderen.
In de bibliotheek is de politie al gebeld. ‘We dachten dat het om huiselijk geweld ging.’ Dan grijpen ze blijkbaar niet in. Te gevaarlijk. Na ruim twintig minuten komt de eerste hulp. Nog later komt de politie. Behalve enkele schrammen op mijn voorhoofd, oor en lip blijk ik niets te mankeren.
Franse bureaucratie
De hulpverleners laten duidelijk blijken dat het om een alledaags vergrijp gaat. ‘Vorige week nog een dametje met haar tas.’ Na veel aandringen vind ik iemand bereid die mij een telefoon leent om naar Nederland te bellen om naasten op de hoogte te stellen en mijn bankpassen te laten blokkeren.
Aanvankelijk wil ik niet naar het ziekenhuis, maar later toch maar wel. Een man van de eerste hulp zegt dat dat niet meer kan. Ik heb immers al aangegeven dat ik het niet wilde. Ai, de Franse bureaucratie, ook nu. Uiteindelijk ‘mag’ ik dan toch. In de ambulance naar Evry.
Maar eerst nog even mijn fiets op halen, die nog op een parkeerplaats staat. Ik denk mijn fietssleutel kwijt te zijn, maar vind die later weer terug. De politie wil mijn fiets losknippen, waarna ik die in de bibliotheek mag zetten, maar krijgt het slot niet doorgeknipt. ‘Een Hollands slot hè’, luidt hun commentaar.
In het ziekenhuis gaat de bureaucratie door. Tot mijn verbazing moet ik wachten. Maximaal een half uur, wordt me gezegd. Dat vind ik best lang, voor iemand die net een traumatische ervaring heeft meegemaakt. Terwijl ik zit te wachten, voert de politie net een jongen af in handboeien. Zijn rechter broekspijp zit vol bloedspetters.
Trein naar Villiers-le-Bel
In een overvolle gang vol ellende moet ik uiteindelijk twee uur en een kwartier wachten, totdat een dokter in twee minuten hetzelfde constateert als de man van de eerste hulp. ‘Het beste gezondheidssysteem ter wereld
Als je er middenin staat, kun je bijna niet anders oordelen: dit is een burgeroorlog, een stadsguerilla. De Franse troepen vertegenwoordigd door vervaarlijke ME’ers met helmen, schilden en knuppels aan de ene kant, de Arabieren en de zwarte Afrikanen met stokken en stenen, verscholen onder capuchons, aan de andere zijde: het doemscenario dat Jean-Marie Le Pen me in zijn villa in Saint-Cloud op een winterse dag vijf jaar geleden voorspiegelde tijdens een interview.
Rustig, even op adem komen voordat ik allemaal groteske informatie het wereldwijde web op stuur. Ik ben net terug van een paar uurtjes rellen in Villiers-le-Bel en wat ik gezien heb, was heftig, af en toe zelf angstaanjagend. Tijdens de rellen van twee jaar geleden, daarvoor en daarna ben ik meerdere malen de buurten ingetrokken, ook ’s avonds, maar zo midden in de actie als zojuist heb ik me nog niet bevonden.
Terug naar vanavond 19:30. Op het nieuws van France 3 zie ik dat het nog rustig is na een woelige nacht gisteren in Villiers-le-Bel, 15 kilometer ten noorden van Parijs. Gisterenmiddag zijn Moushin (15) en Larimi (16) daar omgekomen, toen zij zonder helm met hun crossmotor tegen een politiewagen aanknalden. Volgens de politie gaat het om een ongeluk, volgens veel mensen in de buurt is het eerder een ‘afrekening’. De vader van Larimi heeft verteld hoe zijn zoon al eerder bedreigd was en buurtbewoners wijzen op de aanzienlijke schade aan de politieauto. De grote deuk bewijst volgens hen dat er geen sprake was van een auto die vijftig reed en per ongeluk tegen een motor op was gereden, maar van een bewuste botsing op hoge snelheid.
Verkrachting op RER D
Hoewel je erg moet uitkijken met berichtgeving over de banlieue – voor je het weet annuleert half Nederland weer zijn vakantie naar Parijs – besluit ik dat de hevigheid van gisteren (40 politieagenten en één brandweerman gewond, onder wie twee zwaar, en veel materiële schade) het rechtvaardigt toch maar eens een kijkje te nemen. Het al dan niet bezoeken van de voorsteden op zo’n moment is telkens een moeilijk dilemma, want ik ben me ervan bewust dat media-aandacht de rellen over het algemeen stimuleert. Maar ja, het gebeurt toch en het is nieuwswaardig, dus negeren kun je het ook niet.
Om acht uur zit ik in de RER-trein D naar Creil, de lijn waarop dit weekend een 23-jarige studente (journalistiek) met ruim 30 messteken werd vermoord, toen zij zich verzette tegen een verkrachting. Nu praten twee Arabische meisjes vrij luidruchtig over wie het in hun klas allemaal met wie heeft gedaan en over de laatste mode in de RER B, een andere spoorlijn in en rond Parijs: je verbergen in het hok van de machinist. Maar wel zorgen dat je niet opgemerkt wordt. Anders kost het je 600 euro boete.
Ik stap uit op station Villiers-le-Bel – Gonesse – Arnouville, waar ik meteen doorheb dat ik goed zit: al op het perron ruik je de penetrante brandlucht.Oorlogsjournalistiek
Ik zie een lange laan, waar tientallen ME’ers (CRS in het Frans) tegenover een groot vuur enkele tientallen meters verder staan. Daarachter staan de jongeren, die stenen gooien.
Ik voel de adrenaline. Oorlogsjournalistiek trekt me niet erg aan, maar dit is toch verdomde spannend. Met een omweg wil ik nog dichter bij de actie komen, niet aan de kant van de ME, maar aan de andere kant.
Dat plan slaagt. Hoewel ik op mijn fiets redelijk opval laat iedereen me met rust. Ik schrik. Ik zie een kapperszaak die compleet vernield is. Ruiten ingeslagen, wasbakken omver gegooid, spiegels kapot, alle haarspulletjes over de vloer. Eigenaar Yves Lemoigne heeft er nauwelijks woorden voor. ‘Dertig jaar zit ik in de buurt, ik kan het met iedereen goed vinden en dan sturen ze me op zo’n manier met vervroegd pensioen.’
Even verderop staan de jongens. Met stokken en stenen slopen ze alles wat ze kunnen. Ze komen richting kapperszaak gerend. ‘Blijf hier staan’, zegt Lemoignes vrouw tegen me, ‘ik hou je fiets wel vast’.
De jongens passeren. ‘Je moet hier nu echt weg’, spreekt Yves Lemoigne tegen me op vaderlijke wijze (het leeftijdsverschil is ernaar). ‘Dit is veel te gevaarlijk.’ Hij heeft gelijk.
Nicolas uit La Courneuve
Ik keer terug naar iets veiliger gebied. Twee mannen in een auto spreken me aan. Ze zijn van het 6-minuten nieuws van tv-zender M6 (zo lang kunnen kijkers van die zender naar één programma kijken). Of het goed gaat op de fiets? Ach ja, ik ben wel lekker mobiel zo.
Dan kom ik Nicolas tegen, een verhaal apart. Hij is met een vriend op zij
n racefiets uit de voorstad La Courneuve aan komen fietsen toen ze op het nieuws zagen hoe spectaculair het er in Villiers aan toe ging. Beiden zijn volgens Nicolas handicappés. Dat specificeert hij niet, maar ik vermoed dat ze een lichte mentale achterstand hebben. Dat uit zich deze avond in een panische angst en – eerlijk is eerlijk – zijn situatie is er ook wel naar.
Het probleem is dat hij zijn vriend kwijt is. Hij vreest dat die in de rellen is beland en wellicht gewond is geraakt, maar hij heeft geen idee tot wie hij zich moet richten. Bovendien is Nicolas’ Go Sport-jasje gescheurd, wat hem minstens evenzeer verontrust.
De ME is niet erg aardig tegen hem en ik weet helaas ook niet zo snel de oplossing. Beide vrienden hebben geen telefoon en Nicolas weet niet of zijn vriend de weg terug zou weten naar La Courneuve. ‘Wat ben ik toch stom’, herhaalt Nicolas maar. ‘Ik had hier nooit naar toe moeten komen.’
Vervolgens stuit ik op een groepje buurtbewoners van net boven de dertig. Ze vinden dat de jongeren groot gelijk hebben dat ze de politie te lijf gaan. Ik ben zeker chrétien, christen, vraagt een man me. Dan kan ik niet begrijpen wat hier gebeurt. Blanke Fransen noemen ze ‘Galliërs’ en de politie is zonder uitzondering racistisch. Bovendien staat die onder leiding van hun aartsvijand Sarkozy, die op dit moment in China miljardenorders binnenhaalt voor Airbus en voor kernreactorbouwer Areva. ‘Om de de dood van een paar immigranten bekommert hij zich niet.’
Bekogeld met stenen
Een gezette Antilliaanse vrouw noemt de schade die de jongeren in de buurt aanrichten dommage collatéral. Ze zegt de jongeren volledig te begrijpen. Tenzij die het zouden wagen haar auto in de brand te steken, dan zou ze er geen goed woord voor over hebben.
Terwijl zij haar fraaie statements via een Nederlands medium wereldkundig maakt, voel ik een harde steen tegen mijn arm. Vanuit een tegenoverliggende flat worden we bekogeld. ‘Wij zijn geen flikken’, roepen mijn gesprekspartners naar boven. Maar het gooien houdt aan. Ik besluit het maar weer elders te zoeken.
Na een ontmoeting met de sympathieke studente Léticia (die bewaar ik voor de kranten van morgen) en een brandend fabrieksgebouw vol auto’s, begeef ik me richting station. Ondanks storingen komt de trein vrij snel, waarna ik een halfuurtje later met mijn fiets bovengronds kom in het gemoedelijke Quartier Latin. Daar lopen de bioscoopvoorstellingen net ten einde, laven de al dan niet ’stakende’ studenten zich aan een glas bier en genieten toeristen van slakken en kikkerbilletjes. Zelf haal ik een afhaalmaaltijd bij een Japanner. In de banlieue, aan de andere kant van de wereld op twintig kilometer afstand, blijft het tot half twee onrustig.